Vrijheid en democratie in Nederland: back to the future?

Gepubliceerd in: Locomotie, februari 2011

Laten we onszelf niet voor de gek houden: net als bijvoorbeeld de Zweden hebben Nederlanders decennia lang geloofd dat ze in het beste land ter wereld woonden. Democratie, vrijheid van meningsuiting, progressief-liberale politiek, rechten van minderheden: wij stonden bovenaan de internationale ranglijstjes, althans dat was de beleving in Nederland gidsland. Dat is echter een fabeltje. In feite liggen onze grootste politieke verworvenheden in het verleden, en heeft de reactie in het moderne Nederland de klok eeuwen teruggedraaid. Op cruciale staatsrechtelijke onderdelen zijn wij zo´n beetje de hekkensluiter van Europa. Kleine aanzetten tot echte integrale democratie die door bijvoorbeeld Thorbecke zijn gegeven, zijn vakkundig en stilletjes de nek omgedraaid.

Door Arjen Nijeboer

De zelfgenoegzame linkse ‘Nederland gidsland’-houding is sinds de opkomst van Fortuyn en het moderne populisme goeddeels verdwenen. Mede door de internationalisering en de inderdaad grote reislustigheid van Nederlanders is het besef gekomen dat we gewoon een land zoals zoveel andere landen zijn, en dat het hier niet altijd beter is. Maar een echt kritisch bewustzijn omtrent onze eigen geschiedenis ontbreekt nog grotendeels, en de nieuwe populisten hebben in feite geen enkel antwoord op de werkelijke issues die hieruit naar voren komen. In dit artikel gaan we in op een aantal zaken die in de geschiedenisboekjes helaas weinig tot niet aan de orde komen.

De Republiek

De Nederlandse monarchie is een voorbeeld van een institutie die door het establishment (CDA, VVD en de Telegraaf) decennialang te vuur en te zwaard verdedigd zijn als behorend tot het hart van de Nederlandse culturele identiteit. De Oranjes zijn nauw verbonden met de historische wortels van Nederland, en daarom behoort de monarchie bij Nederland zoals het republikanisme bij Amerika hoort, zo wordt ons verteld.

Dat is grotendeels een fabeltje. Na de afscheiding van het Spaanse rijk (waarvan de publicatie van het Plakkaat van Verlatinge in 1581, waarin de centrale gebeurtenis vormde) werd Nederland een van de eerste moderne republieken. Toegegeven, de republiek was tegen wil en dank. Men ging eerst nog op zoek naar een buitenlandse monarch die de soevereiniteit van de Nederlanden wilde overnemen, maar toen deze niet gevonden kon worden, werden de Nederlanden in 1588 een republiek. Alleen de Republiek Venetie wordt door historici gezien als een nog vroegere moderne republiek (en Amsterdam wordt in toonaangevende buitenlandse reisgidsen nog steeds het ‘Venetie van het Noorden’ genoemd). De ‘stadhouder’ was een ingehuurde figuur met weinig macht. In de praktijk lag de macht bij de Staten en de raadspensionaris.

Het is interessant te zien dat de Republiek geen centrale eenheidsstaat was, en zelfs geen federatie (bondsstaat), maar een confederatie (statenbond). Dit staatsmodel geeft van alle modellen de minste macht aan het centrale gezag. In een confederatie ligt de principiële soevereiniteit bij de staten (in ons geval de Provincien) die samen de confederatie vormen. Voor elke belangrijke beslissing moesten de provinciale vertegenwoordigers vanuit Den Haag te paard terugreizen naar hun provinciehoofdsteden om daar instructies te ontvangen. Ook gold de regel ‘stadsrecht breekt landrecht’: als er een tegenstrijdigheid was tussen de wet van een stad of die van het omliggende gebied, dan prevaleerde het stadsrecht. De kleinere staatsrechtelijke eenheden waren dus machtiger dan de grotere, precies zoals typerend is voor een confederatie. Alleen buitenlandse politiek en defensie alsmede de financiering daarvan waren federaal georganiseerd, de rest lag bij de provincieen en overige lagere besturen.

Het wordt maar weinig beseft in Nederland hoe historisch belangrijk deze ontwikkelingen waren. De Amerikaanse wetenschapper Stephen Lucas heeft bijvoorbeeld aangetoond dat de latere Amerikaanse president Thomas Jefferson bij het schrijven van de Amerikaanse Onafhankelijkheidsverklaring van 1776, sterk werd geïnspireerd door het Nederlandse Plakaat van Verlatinge. Door de Onafhankelijksverklaring werd de Britse monarch afgezworen, net zoals Filips II werd afgezworen door het Plakkaat. Jefferson had een kopie van het Nederlandse Plakaat in zijn boekenkast, en de taalkundige en argumentatiestructuur van de Onafhankelijksverklaring lijkt als twee druppels water op zijn Nederlandse tegenhanger. Tot heden is de Amerikaanse staatsinrichting een van de meest moderne ter wereld. In het linkse Nederland van de afgelopen 4 decennia werd graag verbeten afgegeven op alles wat uit Amerika komt, maar wie de burgerrechtensituatie in de VS punt voor punt met de Nederlandse vergelijkt, zal zien dat de Amerikaanse vaak gewoon veel beter is. Zo tapt de Amerikaanse staat vele malen minder telefoontjes af dan de Nederlandse.

Hoe komen we dan aan de monarchie? Het antwoord is simpel: door buitenlandse mogendheden die daarmee hun eigen agenda dienden. Eind achttiende eeuw werd de wereld opgeschrikt door niet alleen de Amerikaanse maar ook de Franse revolutie, die (ook al ontspoorde de Franse revolutie later volledig) in feite uitdrukkingen waren van moderne democratische aspiraties waarin de burgers het samen als gelijken voor het zeggen hebben, en niet de adel, de bezittende klasse of de kerk.

Het waren de Franse bezetters onder Napoleon die in 1806 de eerste monarchie op Nederlandse bodem vestigden: het Koninkrijk Holland. Maar ook Napoleons tegenstanders wilden graag een monarchie in de Nederlanden. Nadat Napoleon de revolutie gekaapt had, en na zijn Europese veldtochten werd verslagen bij Waterloo, kwamen de Europese grootmachten (met name Pruisen, Oostenrijk, Engeland en Rusland) bij elkaar in het Congres van Wenen (1814-1815). Hier werd besloten dat men ten noorden van Frankrijk het liefste een sterke monarchie wilde installeren, om zo eventuele nieuwe revolutionaire aspiraties van Frankrijk te kunnen weerstaan. En zo ontstond het moderne Koninkrijk der Nederlanden waarin, omwille van de sterkte, ook Vlaanderen was opgenomen. Dat dit een kunstmatige constructie was, bleek al in 1830 toen Vlaanderen zich met geweld afscheidden van de noordelijke Nederlanden. Willem I werd uitgenodigd om koning van dit geheel te worden en in 1813 landde hij tijdens een goed georganiseerd PR-event op het strand van Scheveningen, waarbij de hearts and minds van de bevolking werden gewonnen door gratis jenever uit te delen.

In het Koninkrijk der Nederlanden werden niet alleen de republikeinse, maar ook de confederale wortels van Nederland onder het tapijt geveegd. Het Koninkrijk werd een sterke centrale eenheidsstaat. De centrale regering had in beginsel alle macht, en bepaalde uit eigen beweging hoeveel macht de lagere eenheden (provincies en gemeenten) kregen (“subsidiariteit”). Dit staat in scherp contrast met confederalisme of federalisme, waarin een aantal kleinere eenheden besluit om een aantal, maar deze bevoegdheden ook weer terug kunnen nemen

In de eerste grondwet die Nederland heeft gekend, de ‘Staatsregeling’ van 1798. Deze grondwet werd zelfs voorgelegd aan de bevolking in diverse rechtstreekse volksstemmingen. Hoewel ze dus wel de monarchie en de centrale eenheidsstaat van de Fransen overnamen, namen de stichters van het moderne Nederland helaas het principe van de volkssoevereineit niet over, dat (in tegenstelling tot onze huidige grondwet) expliciet in de Staatsregeling was opgenomen. En helaas wordt deze eerste Nederlandse democratische grondwet tot vandaag de dag voor het publiek verdonkeremaand door onder andere in 1998 grootscheeps “150 jaar grondwet” te vieren.

Het is overigens opvallend hoezeer met de termen federalisme en subsidiariteit wordt gegoocheld in het moderne politieke debat. We hebben allemaal geleerd om als hond van Pavlov negatief te reageren op het begrip ‘federaal Europa’, maar in feite zou een echt federaal en basisdemocratisch Europa verre te prefereren zijn boven de Byzantijnse, ondoorzichtige “zachte tyrannie” (aldus oud-Commissievoorzitter Jacques Delors) die we nu in Europa hebben. Op een lezing die deze auteur bijwoonde, deed oud-premier Ruud Lubbers eens uit de doeken hoe hij Margaret Thatcher en daarmee Engeland binnen de EG had gehouden: met het begrip subsidiariteit kon hij Thatcher helemaal geruststellen. De liberaal Thatcher heeft zich door de jezuiet Lubbers dus vakkundig in de luren laten leggen.

Kortom, Nederland was vroeger een staat waar de lokale gemeenschappen het voor het zeggen hadden en waarin de monarchie reeds was overwonnen. Natuurlijk had Nederland toen geen verkozen parlement, laat staan directe democratie en referenda. Maar vooral de direct-democratische instrumenten maken veel meer kans te worden ingevoerd in confederaties en federaties dan in centrale eenheidsstaten, zo lijkt de Europese en Amerikaanse ervaring te suggereren. Moderne (directe) democratie past in principe dus veel beter bij de oude Nederlandse staatsinrichting dan bij de nieuwe.

Over de wenselijkheid van een monarchie kunnen we kort zijn: Thomas Paine schreef al in 1776 dat een erfelijke monarch even belachelijk is als een erfelijke wetenschapper. Als allerlei prachtige persoonlijke kwaliteiten via de erfelijkheid kunnen worden doorgegeven, waarom zijn bestuurders dan nog hoegenaamd het enige beroep waarvoor dit principe wordt toegepast? Is het niet beter om een bestuurder na rijp beraad uit een grote groep mensen te selecteren, zodat de keuze voor de beste persoon niet neerkomt op een soort gokkast? Als gewone burgers niet in staat zijn de beste te herkennen, waarom laten we ze dan wel de Tweede Kamer en indirect de Eerste Kamer kiezen, die tevens de uiteindelijke macht hebben het hele systeem te wijzigen? De vraag stellen is hem beantwoorden.

Volksstemming

Het is in Nederland ook bijzonder moeilijk al deze zaken te wijzigen. Wij hebben namelijk internationaal gezien een relatief zeer conservatief constitutioneel regime: de grondwet kan alleen gewijzigd worden indien een meerderheid van de Tweede plus Eerste Kamer akkoord gaat, en na verkiezingen nog eens een tweederde meerderheid in beide Kamers voor de grondwetswijziging stemt. Door deze zeer zware eisen. Bovendien is de democratische legitimering van een tweederde meerderheid problematisch: hierbij kan een minderheid de wensen van een meerderheid blokkeren.

De oorsprong van deze constructie wordt er echter nooit bijverteld. De liberale voorman Thorbecke, in 1848 de auteur van onze constitutie die op de belangrijkste onderdelen (grotendeels) ongewijzigd is, had de tussentijdse verkiezingen bedacht om zo de bevolking een directe stem over grondwetswijzigingen te geven. Omdat de verkiezingen in de visie van Thorbecke (die gevoelsmatig nauw met het Duitse Idealisme verbonden was) alleen over de grondwetswijziging zou gaan, zouden mensen veel meer dan bij gewone verkiezingen, kunnen stemmen op een idee of voorstel. De inhoud van dit ene voorstel zou centraal staan, en het publieke debat zou zich heel zakelijk rond dat ene onderwerp concentreren.

Sinds 1922 zijn deze speciale grondwetsverkiezingen echter “slinks” (aldus VVD-ideoloog Patrick van Schie) samengevoegd met de gewone verkiezingen, waardoor de grondwetswijziging typisch ondergaat in het mediageweld rondom de waan van de dag.

Hierdoor is de functie van de tussentijdse verkiezingen bij grondwetswijzigingen geheel komen te vervallen. Wat wel resteert, is de zeer conservatieve werking waardoor fundamentele grondwetswijzigingen haast nooit aan de vereiste instemming kan geraken. Echte staatsrechtelijke vernieuwing is in Nederland nagenoeg onmogelijk. Neem daarbij nog de bijzonderheid dat in veel voorgestelde stelselwijzigingen de Eerste Kamer op de schop gaat, en de Eerste Kamer daar zelf mee moet instemmen, en u waardeert wellicht het Chinese spreekwoord: ‘De situatie was hopeloos en duurde nog 300 jaar.’

Al in 1903 werd het eerste voorstel omtrent invoering van het referendum in de Tweede Kamer ingediend, door de SDAP (de voorloper van de PvdA).

Het is wellicht symbolisch dat de invoering van het bindende referendum, die vanaf het eerste Paarse kabinet (1994) in de regeerakkoorden was opgenomen, dan ook niet gestrand in de direct gekozen Tweede Kamer, maar in het old boys network van de Eerste Kamer, waarbij de invoering van het referendum in de allerlaatste stemming met slechts 1 stem te weinig werd verworpen – een actie van het Orakel van Diever, de heer Wiegel.

Nieuw populisme

Het merkwaardige hierbij is dat de nieuwe rechts-populistische stromingen, van Fortuyn tot de PVV, nauwelijks oog hebben voor de bovenstaande issues. Voor authentieke directe democratie (waarbij burgers met voldoende ondersteuning zelf referenda kunnen aanvragen of volksinitiatieven kunnen lanceren, met bindende uitslag) hebben zowel Fortuyn als Wilders zich nooit uitgesproken. Ondergetekende heeft eens systematisch nagezocht wat Fortuyn over referenda of volksstemmingen heeft gezegd. De vondst was niet meer dan één interview in een Duitse krant waarin Fortuyn zei dat hij graag een plebisciet over de EU zou willen houden.

Maar plebsicieten hebben niets met directe democratie te maken. Plebiscieten zijn door de regerende meerderheid uitgeschreven opiniepeilingen in de vorm van stembusgangen, die typisch worden georganiseerd om een bijzondere legitimatie voor de door de heersers gewenste beleidsrichtingen te kweken. Ze zijn niet-bindend en kunnen dus naar believen worden gevolgd of niet. Veel dictators en volksmenners hielden plebiscieten, van Hitler en Pinochet tot Saddam Hussein en Jörg Haider. Maar de directe democratie schaffen ze gelijk af zodra ze aan de macht komen, zoals Hitler deed met het referendum en volksinitiatief dat in de Weimar-republiek bestond.

De weerstand die Wilders heeft tegen het koningshuis, lijkt niet om principiële redenen ingegeven, maar eerder uit eigen aversie tegen de persoonlijke politieke opvattingen van Beatrix, van wie bekend is dat ze links-progressief is genegen. Ook Wilders heeft zich alleen uitgesproken voor plebiscieten over de EU-toetreding van Turkije en aanverwante onderwerpen. Het zijn allen onderwerpen waarvan Wilders vermoedt dat de bevolking hem zal steunen, en dan durft deze dappere beschermer van de Westerse democratie een niet-bindende volksraadpleging wel aan.

Het is jammer en ook nogal frustrerend dat zoveel comentatoren totaal niet het verschil begrijpen tussen een populistische opstelling in een zuiver parlementair stelsel, en authentieke directe democratie zoals die al ruim een eeuw in Zwitserland functioneert. Hiertussen zit een mijlengroot onderscheid. Niet voor niets is de meest populistische krant van Nederland, de Telegraaf, al decennia een geharnast tegenstander is van door burgers aangevraagde bindende referenda (hoewel ze de laatste jaren op dit punt wijselijk het zwijgen bewaart).

Wat we nodig hebben om uit de huidige verwarrende identiteitscrisis te komen waarin Nederland zich bevindt, is niet meer Wilderiaanse cultuurpolitiek en symboolbeleid als het burkaverbod (ooit een burka in Nederland gezien?), maar een kritische bezinning op hoe we democratie en vrijheid kunnen uitbreiden en op een moderne manier kunnen vormgeven. En daarbij kan een blik op onze eigen geschiedenis zeer helpen.

Referenties

Jonathan Israel, Radical enlightenment: philosophy and the making of modernity 1650-1750 (Oxford: Oxford UP, 1992)

Stephen E. Lucas, “The ‘Plakkaat van Verlatinge’: a neglected model for the American Declaration of Independence”, in Rosemarijn Hofte and Johanna C. Kardux, eds., Connecting cultures: the Netherlands in five centuries of transatlantic exchange (Amsterdam: VU Press, 1994)

Redmar Kooistra en Stefan Koole, Beatrix: macht en invloed van een eigenzinnige vorstin (Amsterdam: Bert Bakker, 2000)

J. Ph. De Monte Verloren en J.E. Spruit, Hoofdlijnen uit de geschiedenis van de rechterlijke organisatie in de Noordelijke Nederlanden tot aan de Bataafse omwenteling (Deventer: Kluwer, 1982)

Arjen Nijeboer, ‘The Netherlands’, in: Bruno Kaufmann en Dane Waters, Direct democracy in Europe. A comprehensive reference guide to the initiative and referendum process in Europe (Durham: Carolina Academic Press, 2002)

Arjen Nijeboer, `Direkte Demokratie in den Niederlanden´, Europa Magazin, 3, 2000

Arjen Nijeboer, ´The Dutch Referendum´, European Constitutional Law Review, 1, 2005

Patrick van Schie, ‘Niet zonder voeling met het volk’, inleiding op Festival der Bestuurskunde, 12 februari 2009