De Euro is een politieke constructie

Gepubliceerd in: Locomotie, maart 2012

Het is tijd om een evidente waarheid onder ogen te zien: de euro is een politieke constructie die geen economische basis heeft. De euro kon er alleen komen door het ondemocratische karakter van de Europese Unie. De eurocrisis wordt nu aangepakt met maatregelen die de democratie alleen maar verder in het slop brengen: het Europees Stabiliteits Mechanisme (ESM) en de nieuwe Europese begrotingsregels. Het is tijd om naar alternatieven voor de euro te kijken.

Door Arjen Nijeboer

De eurocrisis heeft een fundamenteel probleem van de euro voor iedereen blootgelegd: het feit dat het geen economische aangelegenheid, maar een politieke constructie is. De euro is vooral ingevoerd om de EU-inwoners een tastbaar symbool van Europese eenheid in handen te geven.

Politieke constructie

Europa bestaat uit zeer ongelijke economieën: hoogontwikkelde zoals de Duitse, Nederlandse en Scandinavische economieën bestaan naast veredelde ontwikkelingslanden als Griekenland en Portugal. Zulke economieën kunnen niet zomaar samen één munt hebben. Als er onevenwichtigheden optreden in een economisch gebied, kan een centrale bank ingrijpen met instrumenten als de rentestand en het beïnvloeden van de geldhoeveelheid in omloop. Dat ingrijpen moet uiteraard aangepast zijn aan de plaatselijke economische omstandigheden. Met de euro is dat onmogelijk geworden. ”De euro is economisch gezien een mislukt experiment. Heterogene landen kunnen niet één munt hebben. Een econoom zou de euro­zone nooit hebben bedacht”, schreef de econoom Jaap van Duijn recent in NRC Handelsblad.

Vanaf het begin van de pogingen om de euro in te voeren, is er verzet van economen geweest. In Nederland ondertekenden een groep van 70 economen in 1997 een verklaring tegen de euro, opgenomen in het boek De prijs van de euro. In Duitsland publiceerden 62 economieprofessoren een manifest tegen de Europese Monetaire Unie. Ze stelden dat “de economisch zwakkere Europese partnerlanden bij een gemeenschappelijke munt een versterkte concurrentiedruk ondergaan, waardoor ze op grond van hun geringere productiviteit en concurrentievermogen een hogere werkloosheid zullen krijgen. Hoge transferbetalingen (van rijkere naar armere eurostaten – red.) in de zin van een ‘Finanzausgleich’ worden daarmee noodzakelijk.” In 1998 volgde een tweede beweging van meer dan 160 economieprofessoren die zich verzetten tegen de euro.

Een land als Griekenland, volop een Balkanland, is niet op economische maar op politieke gronden in de euro (en in de EU) opgenomen. Griekenland was (net als Italië) één van de landen die na 1945 via democratische verkiezingen communistisch zouden kunnen worden. Daarom werd ze vanaf het begin bij de EU (die onder andere is opgericht om een front tegen het communisme te vormen) en de NAVO getrokken. In 2002 sjoemelde Griekenland zich de euro in door – op advies van Goldman Sachs – een lening van 10 miljard tijdelijk tegen een fictieve koers in te ruilen tegen dollars en yens. Dit scheelde 1 miljard euro in de boeken. Goldman Sachs kreeg voor deze ‘swapdeal’ overigens een fikse provisie.

Gebrek aan democratie

De euro heeft er alleen kunnen komen door het ondemocratische karakter van de Europese Unie. Vanaf het begin is een anti-democratische tendens werkzaam in de EU.

Dit wordt besmuikt toegegeven door EU-insiders. “Als de EU lid wilde worden van zichzelf, zouden we haar moeten afwijzen vanwege te ondemocratisch”, aldus de toenmalige EU-commissaris van uitbreiding Günter Verheugen. Jacques Delors, oud-voorzitter van de Europese Commissie, noemde de EU een “zachte tyrannie”. Jean-Claude Juncker, premier van Luxemburg en EU-vergadertijger, legde als volgt uit hoe de Europese ‘democratie’ werkt: “Wij besluiten iets, lanceren het en wachten een tijdje af, of er iets gebeurt. Als er dan geen geschreeuw of opstanden uitbreken, omdat de meesten totaal niet begrijpen wat er besloten werd, dan gaan we door – stap voor stap, tot er geen weg terug meer is.”

Het ondemocratische karakter van de EU is deels een cultuurprobleem van mensen als Juncker, maar ligt zeker ook op institutioneel vlak verankerd. Het kernprobleem is dat de EU een zeer ongelukkige mengvorm is tussen een federale staat (bondsstaat) en een intergouvernementeel samenwerkingsverband van soevereine staten (statenbond).

Een federale staat heeft een aantal bevoegdheden volledig overgenomen van haar deelstaten, die niet meer (unaniem) hoeven in te stemmen met beleid om het toch van kracht te laten worden, maar daar staat tegenover dat een federale staat een volledig ontwikkelde democratie heeft waarbij het parlement de uiteindeljke zeggenschap heeft over (grond)wetten, de regering aanstelt en individuele kabinetsleden naar huis kan sturen.

Een intergouvernementeel (interstatelijk) samenwerkingsverband heeft zo’n volledige democratie niet. Maar dat is ook niet direct nodig, omdat de deelnemende staten allen moeten instemmen met verdragen of afspraken, zodat geen enkele staat overstemd kan worden. De nationale parlementen controleren dan de eigen kabinetsleden die samen het bestuur van zo’n samenwerkingsverband vormen.

De EU is een raar mengsel van beide, die neerkomt op ‘the worst of both worlds’. De EU heeft wel toenemend de macht en het zelfstandige karakter van een federale staat, maar niet het democratische systeem dat daarbij hoort. Europese verdragen (de ‘grondwet’) behoeven de instemming van alle regeringsleiders, en vervolgens van alle nationale parlementen, maar omdat de regeringsleiders achter gesloten deuren vergaderen, kan een afzonderlijk parlement nooit het optreden van haar regeringsleider beoordelen. Ze kent alleen het eindresultaat, en dan is het slikken of stikken. De Raad van Ministers, die besluit over de ‘wetgeving’ van de Europese Unie, besluit sinds het Verdrag van Lissabon wel in het openbaar, maar hierbij geldt een gekwalificeerde meerderheid en kunnen lidstaten dus worden overruled. Het Europees Parlement kan de democratische gaten niet dichten, omdat ze de Europese ‘regering’ (de Europese Commissie en de Raad) niet kan kiezen en ook niet naar huis kan sturen. Het Europees Parlement moet wel instemmen met de benoeming van de Europese Commissie door de lidstaten, maar de Commissie of de Raad als zodanig komen niet voort uit het Europees Parlement (zoals in de nationale democratieën) en het Europarlement kan geen individuele Commissieleden naar huis sturen. Het Europarlement heeft over veel beleidsterreinen nog steeds niets te zeggen, en het systeem van ‘codecisie’ is voor buitenstaanders haast niet te volgen. De fundamentele institutionele problemen van de EU zijn door het Verdrag van Lissabon (de crypto-Europese Grondwet) niet opgelost. Hooguit zijn er enkele scherpe kantjes van afgehaald.

Tussen het federale en het intergouvernementele model blijft een stuk niemandsland over, dat wordt bevolkt door een onoverzichtelijke brei van duizenden ambtelijke commissies, lobbyisten en ngo’s. Niemand heeft hier grip op.

Het mag dan ook geen verbazing wekken als we horen dat de euro mede is ingevoerd dankzij schimmige lobbyclubs als Bilderberg, het semi-geheime netwerk van toppolitici, bankiers en CEO’s dat jaarlijks gedurende drie dagen bijeenkomt om de loop van de ‘grote politiek’ te bespreken. In een interview met de internetkrant EU Observer in maart 2009 legde Bilderberg-voorzitter en oud-EU-commissaris Etienne Davignon uit hoe Bildberg een cruciale rol heeft gespeeld bij de totstandkoming van de Euro. Inmiddels zijn de Bilderberg-leden Mario Draghi, Mario Monti en Herman van Rompuy respectievelijk president van de ECB, premier van probleemland Italië en voorzitter van de Europese Raad geworden. Van Rompuy werd Raadsvoorzitter nadat hij op een Bilderberg-diner had gepleit voor de invoering van een Europese belasting.

Tegen wat normaal verwacht had mogen worden, werden er nauwelijks referenda gehouden over de invoering van de euro. Van de 17 eurolanden hielden alleen Denemarken en Zweden een referendum, en in beide landen werd de invoering van de munt afgewezen. Zij zijn tot vandaag buiten de euro-zone gebleven en zijn daar niet bepaald rouwig om.

ESM en begrotingsregels

Het Europees Stabiliteits Mechanisme (ESM) is samen met de Europese begrotingsregels het belangrijkste antwoord van Europese politici op de voortslepende eurocrisis. Beide versterken het anti-democratische karakter van de Europese Unie alleen maar.

Het ESM is een speciaal fonds van 700 miljard euro waarmee probleemlanden als Griekenland, Portugal en Italië kunnen worden geholpen bij financiële nood. De 700 miljard is bijeengelegd door de Europese lidstaten. De eurolanden moeten de komende jaren 80 miljard contant aan het ESM overmaken, de overige 620 miljard bestaat uit garantstellen van eurolanden. Al met al zit Nederland er voor 40 miljard in. Een en ander is geregeld in het ESM-verdrag (‘Verdrag tot Oprichting van het Europees Stabiliteits Mechanisme’), waarover de regeringsleiders op de Europese top van 23 januari 2012 overeenstemming bereikten.

Men wil het ESM-verdrag al vanaf juli 2012 in werking laten treden. Er ligt dus grote druk op de nationale parlementen om zonder morren akkoord te gaan. Tijd voor discussie zal er nauwelijks zijn.

Hebben de nationale parlementen het ESM-verdrag eenmaal goedgekeurd, dan kan het ESM van lidstaten ongelimiteerd eisen dat ze hun bijdrage aan het ESM verhogen. Nationale staten moeten dan binnen een week over de brug komen. Nationale parlementen of het Europarlement hebben hier geen enkele zeggenschap meer over. Omdat het ESM-bestuur bestaat uit de nationale ministers van Financiën, die doorgaans unaniem beslissen, kunnen nationale regeringen niet overruled worden door het ESM. Daarom is het verwijt aan het ESM supranationaal te zijn, in beginsel onjuist. Maar het ESM is wel supra-democratisch. De parlementaire democratie heeft het nakijken. Al wilde een parlement controle uitoefenen over haar minister van Financiën, het ESM-bestuur besluit achter gesloten deuren, dus kunnen parlementariërs in de praktijk niets.

Opmerkelijk is bovendien dat het ESM zichzelf, haar fondsen en al haar medewerkers juridische immuniteit heeft verleend, terwijl het verdrag nadrukkelijk stelt dat het ESM wel de volledige bevoegdheid heeft om juridische procedures aan te spannen. Mochten parlementen alsnog dwars gaan liggen, bijvoorbeeld door te dreigen met het naar huis sturen van een nationale regering, dan kan zo’n land juridisch gedwongen worden alsnog financieel over de brug te komen.

Onder de Europese begrotingsregels moet elke lidstaat onder andere zijn begroting vooraf aan de Europese Commissie voorleggen, die sancties kan opleggen als iets niet deugt.

Zo’n constructie kan er alleen doorgedrukt worden vanwege de aanhoudende eurocrisis, die politici overal in Europa angst aanjaagt. Zonder crisis zouden zulke vérgaande stappen nooit gezet worden. Nu eenmaal is gekozen voor de euro, blijkt bij de eerste crisis dat de euro-constructie alleen overeind gehouden kan worden als ze wordt gevolgd door verdere stappen in de politieke integratie. Zoals Mario Monti, de Italiaanse premier en Bilderberg-insider het eind januari verwoordde: “De Europese begrotingsregels zijn de eerste stap op weg naar een fiscale unie.”

Alternatieven

Een valuta is een intrinsiek economische aangelegenheid. Geld dient om de handel in goederen en diensten te vergemakkelijken. Het is een boekhouding van de reële economie. Een professor hoort niet tot de economie, maar als hij een boek schrijft en aanbiedt dan is dat voor de economie een verhandelbaar product. Een munteenheid hoort daarom organisch ingebed te zijn in het economische leven, evenals de instellingen die die munt beheren en reguleren.

Er is al een beweging in die richting gemaakt door centrale banken onafhankelijk te maken van de staat. Dit laat zien dat men begrijpt dat een munt niet op politieke gronden kan worden beheerd. Maar die onafhankelijkheid van de staat is maar relatief. Presidenten van centrale banken worden typisch benoemd door de regering, en de munt is een politieke instituut doordat ze bij wet tot ‘wettig betaalmiddel’ van een land (een politieke eenheid) is gemaakt.

We weten allemaal dat economische gebieden vaak niet samenvallen met politieke grenzen. Delen van Nederland en Duitsland doen meer zaken met elkaar dan binnen de eigen landsgrenzen, en dit geldt voor allerlei gebieden in Europa. Ook weten we dat een munt slechts zolang kan bestaan, als er burgers, banken en bedrijven er vertrouwen in hebben. Dit vertrouwen is van economische aard. Het wordt vooral gevoed door economische ideeën en percepties, niet door politieke. De eurocrisis zou aanleiding moeten zijn om ons stevig bewust te worden van dergelijke feiten.

Het bovenstaande maakt ook duidelijk waarom het inruilen van de euro voor de oude nationale munten niet de ideale oplossing is. Het zou een terug naar af zijn. In plaats daarvan zouden munteenheden tot stand moeten komen die zuiver een uitdrukking zijn van de onderliggende economische realiteit. Ze zouden ingesteld en gedragen moeten worden door alle actoren in een economie – banken, bedrijven en consumentenorganisaties – waarbij de economische grenzen zich weinig van landsgrenzen aan hoeven te trekken.

Ideeën over de invoering van een neuro en een zeuro (een Noord-Europese en Zuid-Europese euro) – die we her en der horen – gaan al in die richting, maar dan wordt er nog steeds gedacht in termen van staten die samen een munt invoeren.

Een eerste stap zou het toelaten van concurrende munten naast de bestaande munt(en) kunnen zijn. Een voorbeeld levert Zwitserland. Hier bestaat al sinds de jaren ’30 een alternatieve munteenheid – de Wir, die wordt uitgegeven door de Wir Bank – die een stevige concurrent is van de Zwitserse Frank. Omgerekend in Zwitserse Franken, heeft de Wir Bank een balanstotaal van zo’n 4 miljard Frank. Bedrijven kunnen elkaar onderling betalen in Wirs – of, zoals vaak gebeurt, in een combinatie van Franken en Wirs – maar ook consumenten nemen steeds vaker deel in het Wir-systeem. Winkels en hotels laten via een bord bij de deur aan consumenten weten dat ze hier ook met Wirs kunnen betalen.

Een oplossing voor de eurocrisis uitdenken is niet eenvoudig. Maar het bovenstaande voorbeeld moge duidelijk maken dat er voor de euro alternatieven zijn die bovendien op een totaal nieuwe grondslag functioneren. De eurocrisis zou voor ons aanleiding moeten zijn deze grondig onder de loep te nemen.

Referenties

De enige actuele tekst van het ESM-verdrag (stand na de top van 23 januari 2012) kon ik hier vinden in het Duits (eerdere versies zijn van de website van de Europese Raad verdwenen):

Entwurf für einen Vertrag zur Einrichtung des Europäischen Stabilitätsmechanismus: http://www.peter-bleser.de/upload/PDF-Listen/E-Mail-Info_Eurostabilisierung/Entwurf_Vertrag_ESM.pdf

B.S. Frey en R. Eichenberger, The new democratic federalism for Europe: functional, overlapping and competing jurisdictions (Cheltenham: Edward Elgar Pub, 2004)

R. Huber, ‘Der Kasinokapitalismus gefährdet die Demokratie’, MD Magazin, 4, 2011

A. Oldag en H-M. Tillack, Raumschiff Brüssel: Wie die Demokratie in Europa scheitert (Frankfurt: Fischer, 2005)

A. Rettman, ‘Jury’s out on future of Europe, EU doyen says’, EUobserver.com, 16 maart 2009

G. Reuten, K. Vendrik en R. Went, De prijs van de euro (Amsterdam: Van Gennep, 1998)

B. Waterfield, J. Stares en C. Freeman, ‘Herman van Rompuy: Europe’s first president to push for Euro tax’, The Telegraph, 22 november 2009