Baas in eigen hoofd: Waarom Amerika veel meer vrijheid van meningsuiting heeft dan Nederland

Gepubliceerd in: Locomotie, 2008

Uit SCP-onderzoek (De sociale staat van Nederland 2007) blijkt dat het handhaven van de vrije meningsuiting inmiddels bovenaan het lijstje van dringende problemen in de ogen van burgers staat. Het laat de sociale zekerheid, een stabiele economie en criminaliteitsbestrijding achter zich. De vrije meningsuiting staat in Nederland veel zwakker dan vaak wordt gedacht. In feite is het Amerikaanse systeem veel logischer en rechtvaardiger dan de kromme Nederlandse wetgeving.

door Arjen Nijeboer

“Theo ging flink tekeer tegen alles wat hij zag als misstanden in de samenleving. Hij nam geen blad voor de mond. Maar in dit land mag dat!”, riep toenmalig minister Rita Verdonk strijdbaar tijdens haar toespraak op de massabijeenkomst op de Dam, de avond van de moord op Theo van Gogh. Veel politici vielen haar in de daarop volgende weken bij.

Dat mag echter níet. Als Mohammed B. in plaats van een moord te plegen, gewoon een aanklacht bij het Openbaar Ministerie had ingediend, dan was er goede kans geweest dat Van Gogh was veroordeeld tot maximaal één respectievelijk twee jaar gevangenisstraf wegens het “beledigen van mensen op grond van hun godsdienst”, het “aanzetten tot discriminatie” dan wel “haat”, of het doen van één van de andere categorieën uitlatingen die bij wet verboden zijn. Uiteraard was gevangenisstraf voor Van Gogh minder onprettig geweest dan de rituele moord die hem nu ten deel viel. Maar voor de vrijheid van meningsuiting maakt het niet uit of die wordt aangetast door dreiging met privaat geweld, of door de staat opgelegde gevangenisstraf.

Geen vrijheid van meningsuiting in de Grondwet

Het Vrije Woord is in Nederland veel zwakker geregeld dan vaak wordt gedacht. De Grondwet vestigt het principe van de vrije meningsuiting helemaal niet. Artikel 7 van de Grondwet doet in essentie niet meer dan het verbieden van voorafgaande controle op uitingen. Aan het strafbaar stellen van uitspraken ná publicatie geeft zij echter ruim baan, door te stellen dat de wet verdere regels stelt aan de vrijheid van spreken. Omdat de Grondwet zelfs niet de gronden aangeeft waarop de wetgever (parlement en regering) de vrije meningsuiting mag inperken, heeft de wetgever alle ruimte om verboden in te voeren. Dit in tegenstelling tot de Amerikaanse grondwet, die luidt en duidelijk stelt dat “het Congres geen wet zal maken (…) die de vrijheid van meningsuiting beperkt.”

Dat heeft de wetgever dan ook gedaan. Eerder belandden al de “opruiing” tegen het “openbaar gezag” (artikel 131) en eenvoudige belediging (art. 261-271) in het Wetboek van Strafrecht. Vanaf de jaren ’70 zijn daar artikelen bijgekomen tegen het zich beledigend uitlaten “over” alsmede het zich uitlaten op een wijze die beledigend “voor” mensen “wegens hun ras, hun godsdienst of levensovertuiging of hetero- of homoseksuele gerichtheid”, evenals het aanzetten tot haat of discriminatie tegen deze groepen waar dan nog geslacht aan toegevoegd is (art. 137c t/m g). In deze artikelen is verder een beroepsverbod geregeld voor mensen die opiniedelicten binnen hun beroep begaan en hiervoor tweemaal binnen vijf jaar worden veroordeeld.

Zoals de socioloog Erik van Ree heeft laten zien, is dit zowel uiterst breed als arbitrair. Zeggen dat een bepaald geloof moreel gedegenereerd is, is strafbaar want beledigend. Zeggen dat nationaliteit X minderwaardig is, is toegestaan, maar idem dito over een ras niet; haat zaaien tegen daklozen of fabrieksdirecteuren mag, maar niet tegen vrouwen. Iemand die stelt dat de Amerikanen de wereld willen beheersen hoeft zich nergens zorgen over te maken, maar iemand die zegt dat de joden dit willen, komt snel in de problemen.

In feite gaan hier politieke keuzes achter schuil die door de zittende politici en officieren van justitie worden gemaakt. In 1997 werd Hans Janmaat veroordeeld voor de uitspraak: “Zodra wij de mogelijkheid en de macht hebben, schaffen we de multiculturele samenleving af.” Zijn veroordeling werd bekrachtigd tot aan de Hoge Raad toe. Maar waarom zou dat niet beweerd mogen worden? De multiculturele samenleving is een specifieke beleidskeuze, en in een democratie mogen vrije burgers steun werven voor elke beleidskeuze die zij willen. Dat geldt ook voor de afschaffing van de multiculturele samenleving of de invoering van de sharia. Wie zal zeggen of het kwaad in de toekomst niet zodanig toeneemt dat we bepaalde principes uit de sharia niet toch willen invoeren? De beslissing daarover moet vallen tijdens een democratische gang naar de stembus, en niet in het Paleis van Justitie. Als de zittende politici het argumenteren voor een ander beleid dan het hunne strafbaar stellen, dan maken zij eenvoudig misbruik van hun macht. Het strafrecht moet rechtvaardigheid voor iedereen in gelijke mate garanderen, en niet verworden tot een middel van een politieke meerderheid om een door hen ongewenste minderheid dwars te zitten. Er gaat willekeur achter schuil, want Janmaat werd veroordeeld voor uitspraken die nu door veel politici worden gedaan en zij blijven ongedeerd. De rechtsstaat zou nu juist moeten beschermen tegen politieke willekeur.

Het wettelijk verbieden van kwetsen en beledigen is eigenlijk het eisen van respect, en dat is de essentie van intolerantie. Want hierbij zijn het de vermeende slachtoffers die, geheel subjectief, mogen bepalen in hoeverre de zogenaamde daders schuldig zijn. Elke objectiviteit ontbreekt, want wie weet waar orthodoxe joden, radicale afrocentristen, aanhangers van de SGP of ijdele politici met lange tenen zich allemaal niet beledigd door kunnen voelen? Is het beledigend om van pedofielen (toch ook een seksuele voorkeur) te zeggen dat zij ziek zijn? Er zijn gerenommeerde wetenschappers die op basis van een enorme berg statistisch materiaal stellen dat blanken gemiddeld intelligenter zijn dan zwarten. Discrimineren zij? En wat als het toch echt de waarheid zou blijken te zijn? Dan zou een verbod toch sowieso absurd zijn? Echter, de enige manier waarop we achter de waarheid kunnen komen is een vrij debat toe te laten.

In feite gaat hier een merkwaardig groepsdenken achter schuil. Sommige groepen worden “zwakker” geacht en daarom meer beschermd dan zogenaamde “sterkere” groepen. Maar dat is abstract en onwerkelijk. Een autochtone huisvrouw die uit een alcoholisch gezin komt, staat maatschappelijk veel zwakker dan een hoog opgeleide, geslaagde joodse of zwarte zakenman. Wie zich verdiept in de slavernijgeschiedenis van bijvoorbeeld Suriname, weet dat zwarten niet altijd slachtoffer waren en blanken niet altijd dader. De mens is veel meer individu dan ons anti-individualistische, verpolitiekte maatschappelijke discours suggereert. Groepen kunnen niet collectief aanspraak maken op slachtofferschap en een bijbehorende wettelijke uitzonderingspositie. Het menselijk lijden is zeer reëel maar tevens per definitie individueel.

Wetsvoorstel Donner

In mei 2005 kwam toenmalig minister Donner met een wetsvoorstel waarin hij, in de strijd tegen de moslimextremisten, het ontkennen of vergoeilijken van door de Duitsers gepleegde misdaden tijdens de Tweede Wereldoorlog wilde verbieden. Maar waarom alleen Duitse misdaden uit de Tweede Wereldoorlog? Waarom mag ik wel de Amerikaanse atoombom op Hiroshima, de geallieerde bombardementen op de woonwijken van Dresden en de verkrachtingen door Russische soldaten van 2 miljoen Duitse vrouwen in 1945 goedpraten of ontkennen, en niet de wandaden van de nazi’s?

Deze weg inslaan leidt van de ene absurditeit naar de andere. Als de staat het bagatelisseren van een historische gebeurtenis verbiedt, dan moet de staat dus vaststellen welke historische versie de juiste is, zodat de burgers tenminste weten wat zij verplicht worden te geloven. Dan wordt de staat in de beste stalinistische traditie dus tot geschiedschrijver. Historici komen door hun permanente debat en nieuwe ontdekkingen echter steeds tot bijstellingen. De holocaust-revisionist David Irving is in 1992 veroordeeld voor het uiten van stellingen die intussen algemeen door historici zijn geaccepteerd. Geschiedschrijving moet een zaak zijn van vrij debat tussen historici, en niet van de democratie. Als de democratie daar wel toe overgaat, is het einde zoek. Want op dezelfde dag begint de lobby van andere echte of vermeende slachtoffergroepen om hun thema ook tot wettelijk dogma te verheffen. Niemand geeft graag zijn ongelijk toe. Politici zullen alleen al uit de wens tot consistentie steeds meer spreekverboden invoeren.

Donner bouwde weliswaar de voorwaarde voor strafbaarheid in dat een uiting tot het verstoren van de openbare orde moet leiden. Maar dat is flauwekul. Het uitspreken van een uiting als zodanig leidt niet automatisch tot ordeverstoringen. Die ordeverstoringen komen er alleen wanneer iemand anders dan de spreker vervolgens de straat optrekt en winkelruiten gaat ingooien. Maar diegene is verantwoordelijk voor zijn eigen daden. Hij kan die verantwoordelijkheid niet afschuiven op een ander. Vervolg gewoon de geweldspleger zelf, en niet iemand anders die er opeens verantwoordelijk voor wordt gemaakt, alleen omdat hij iets zei.

Baas in eigen hoofd

Hoe verlaten we deze doodlopende weg? Het geestesleven moet radicaal vrij worden gemaakt van inbreuken uit de democratie en de economie, net zoals die maatschappelijke sferen op hun beurt ook vrij moeten zijn van inbreuken door de andere sferen De hele reeks eerder genoemde artikelen uit het Wetboek van Strafrecht kan eenvoudig geschrapt worden. Dat is minder exotisch dan het lijkt, want dat komt overeen met de bestaande situatie in de Verenigde Staten. De enige taak die de democratie heeft met betrekking tot het geestesleven, is wettelijk regelen dat er een vrije ruimte is waartoe ieder die dat wil toegang heeft. Maar met de inhoud van het geestesleven moet de democratie geen enkele bemoeienis hebben.

De Vlaamse publicist Jos Verhulst haalt ter uitwerking hiervan de volgende principes aan. De eerste luidt: baas in eigen hoofd. Elk mens is vrij zijn eigen bewustzijnsinhoud te bepalen. Dat impliceert enerzijds dat er geen autoriteit is boven de burgers die aan de burgers geofficialiseerde overtuigingen kan opleggen. Als overtuigingen tot norm of standaard worden, dan komt dat omdat zij in een vrij debat overeind zijn gebleven tegen kritiek en spot van tegenstanders in. Zij verwerven dan morele adelbrieven, niet omdat zij officieel zijn opgelegd, maar juist omdat ze dat niet zijn. Wie kan er echt vertrouwen hebben in een van staatswege opgelegde waarheid? Maar het baas in eigen hoofd zijn impliceert óók dat er een recht is om niet te hoeven luisteren. Ik hoef niet te tolereren dat iemand tegen mij aanpraat terwijl ik niet wil luisteren. Daarom hanteert Verhulst het begrip van de ‘fora’: fora zijn in feite alle plaatsen en kanalen waar burgers vrij ‘samenkomen’ om inhouden te verspreiden of tot zich te nemen, en die ook vrij vermijdbaar zijn. Bijvoorbeeld internetfora, politieke cafés, de media en debatbijeenkomsten. Op deze fora moet alles gezegd en gehoord kunnen worden. Iedereen die niet wil horen wat daar geüit wordt, kan er wegblijven, terwijl de mensen die ervoor kiezen wel te luisteren, niet moeten klagen als zij iets te horen krijgen wat hen niet aanstaat. De straat en mijn brievenbus of emailbox zijn dus slechts in beperkte mate zo’n forum. Politieke activisten die mijn weg versperren en mij dwingen tot luisteren, evenals lieden die mij ongevraagd politiek extremistisch materiaal, kunnen worden beboet.

De tweede: er is een absoluut recht op fysieke onaantastbaarheid, maar géén recht om niet gekwetst, beledigd of belasterd te worden. Dikhuidigheid is de zeer bescheiden prijs die we moeten betalen voor een samenleving gebaseerd op het Vrije Woord. Waarheid wordt namelijk niet alleen in vrijheid geboren, maar ook in psychische pijn. Elke vernieuwende denker of wetenschapper heeft pijn veroorzaakt. Deze pijn is op termijn het enige alternatief voor inquisitie en gedachtenpolitie. Ze dient het leven in plaats dat het deze aantast. Ze leidt tot volwassenheid, zelfstandigheid en ontwikkeling.

Hiervoor is onder de Nederlandse bevolking ruime steun aanwezig. Volgens het Nationaal Vrijheidsonderzoek (2002) vindt 65 Procent van de Nederlanders dat iedereen het recht heeft om voor zijn of haar mening uit te komen, ook al voelen anderen zich daardoor gekwetst. Slechts 17 procent vindt dat vooraanstaande publieke personen die zich beledigend uitlaten over bepaalde groepen, voor de rechter moeten verschijnen.

Zijn er dan geen wettelijke grenzen? Jawel: er is een klein aantal uitlatingen dat als het ware een “gesproken daad” vormt die onmiddellijk ingrijpt in de fysieke werkelijkheid. Om die reden verlaten zij de sfeer van het geestesleven en daarom mogen ze worden gereguleerd. Dat is het derde principe. Dat geldt bijvoorbeeld voor het direct dreigen met geweld. Als iemand tegen mij zegt: “Zodra jij op straat komt, schiet ik je neer”, beperkt hij mijn fysieke bewegingsvrijheid. Ook het roepen van “Brand!” in een overvolle bioscoop valt hieronder. Wat er níet onder valt, is “haat zaaien”, discriminerende uitspraken, of valse en beledigende verhalen over iemand verspreiden. Die uitspraken grijpen immers niet onmiddellijk in de fysieke werkelijkheid in. Ze kunnen pas fysieke gevolgen hebben wanneer iemand anders dan de spreker de wettelijke grenzen overgaat en fysieke handelingen verricht. Maar diegene is op zijn beurt verantwoordelijk voor zijn eigen daden. Hij kan dat niet op de spreker afschuiven. Het “Befehl ist Befehl” moeten we niet accepteren. Over de twijfelgevallen moet de rechter van geval tot geval oordelen.

Vrijwillige zelfregulering

Dit is geen pleidooi voor ongebreidelde scheldpartijen. Het is alleen maar toe te juichen wanneer deelnemers aan het publieke debat zich respectvol opstellen naar elkaar, met elkaar bepaalde principes omhooghouden en elkaar eventueel tot de orde roepen. Maar zo’n vrijwillige zelfregulering – die zelf weer op niets anders dan de kracht van vrije argumenten berust – is iets heel anders dan wettelijke verboden die worden afgedwongen door de sterke arm der wet. Niet alleen waarheid, maar ook echte moraliteit is iets dat niet door wetten kan worden verordonneert, maar alleen in vrijheid binnenin mensen kan ontstaan.

Bovendien moet vrijheid van meningsuiting juist gelden voor meningen die we zelf afstotelijk vinden. Als we alleen vrij spreekrecht laten gelden voor meningen waar de goegemeente positief of neutraal tegenover staat, wat doen we dan voor bijzonders? Zowel in de middeleeuwen als in de Sowjet-Unie was er vrijheid voor andersdenkenden om van officiële doctrines af te wijken, zolang ze maar binnen een bepaalde bandbreedte bleven. Wat de één een scheldwoord vindt, noemt de ander een argument.

Het reguleren van het geestesleven met juridische middelen is een praktijk die we uit de Middeleeuwen hebben overgehouden en die door de opkomende Verlichting langzaam is teruggedrongen. Nu is de tijd gekomen om ook met de laatste rest Middeleeuwen af te rekenen en het Vrije Woord volop in te voeren. Dat zal bijdragen aan het ontstaan van een kosmopolitische samenleving van burgers die elkaar in eerste instantie als individu tegemoet treden, verantwoordelijkheid nemen voor hun eigen gedachten, gevoelens en handelingen en de genuanceerde waarheid uit vrijheid liefhebben. In ieder geval bestrijden we niet degenen die onze maatschappij willen veranderen in een theocratie, door hun methodes over te nemen.